Heb oog voor rechtsonzekerheid in regelgeving fonds voor gemene rekening
Reactie internetconsultatie ‘consultatie fonds voor gemene rekening’
In haar reactie roept de NOB de wetgever op aandacht te hebben voor de rechtsonzekerheid die op grond van de huidige regeling voor het fonds voor gemene rekening bestaat en de gevolgen die dit kan hebben voor belastingplichtigen en de Belastingdienst. Daarnaast beantwoordt de NOB de in het consultatiedocument gestelde vragen en doet zij concrete voorstellen om de bestaande rechtsonzekerheid weg te nemen en de wet beter te laten aansluiten bij de bedoeling van de wetgever.
Rechtsonzekerheid
Een naar Nederlands recht opgerichte personenvennootschap aanmerken als een fonds voor gemene rekening (fgr) als bedoeld in artikel 2 lid 4 Wet Vpb 1969 is naar de mening van de NOB niet in overeenstemming met de doelstelling en de totstandkomingsgeschiedenis van de zelfstandige belastingplicht van het fgr. De NOB komt tot deze conclusie op basis van de wetgeschiedenis. Deze conclusie wordt bevestigd in een standpunt van de Kennisgroep Belastingplicht en Kwalificatie Rechtsvormen dat zag op het tot 2025 geldende recht.
De wijziging van de wetgeving per 1 januari 2025 had niet tot doel de oorspronkelijke doelstelling te veranderen. De toevoeging van de Wft-eis is een beperking van de reikwijdte van de definitie van het belastingplichtig fgr en geen uitbreiding.
Een fonds of lichaam zoals een personenvennootschap dat onder de oude wet niet als fgr werd aangemerkt zal dus niet door de toevoeging van de Wft-eis met ingang van 1 januari 2025 wel als een belastingplichtig fgr wordt aangemerkt.
De staatssecretaris is thans van mening dat zowel onder het oude als het nieuwe recht een personenvennootschap als fgr kon en kan worden aangemerkt.
Het is de verwachting van de NOB dat deze rechtsonzekerheid zal resulteren in procedures met voor zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst een onzekere uitkomst. De NOB is van mening dat over een fundamenteel beginsel als de subjectieve belastingplicht geen rechtsonzekerheid mag bestaan.
Oplossingsrichting
Een oplossing hiervoor zou zijn dat vast komt te staan dat een lichaam dat op basis van Nederlands civiel recht als personenvennootschap (en in geval van een buitenlandse rechtsvorm, als vergelijkbaar met een Nederlandse personenvennootschap), door de aanwezigheid van een samenwerkingsovereenkomst tussen de participanten onderling, geen fgr kan zijn. Het fgr is dan beperkt tot het fonds sui generis. Hiermee zou het eerdere standpunt van de Kennisgroep Belastingplicht en Kwalificatie Rechtsvormen worden bevestigd.
Knelpunten in relatie tot de Wet FKR en Wet FGR
De NOB constateert verschillende knelpunten in de huidige regelgeving. In de reactie worden onderstaande punten geadresseerd:
- Voortbestaan en ontstaan nieuwe hybride mismatches
- Onzekerheid begrip bewijzen van deelgerechtigdheid
- Onzekerheid beleggingsbegrip
- Onzekerheid begrip collectiviteit en positie beherend vennoot
- Onzekerheid interpretatie art. 1:1 Wft-eis
.
Onze volledige reactie kun je hieronder downloaden.
Deze reactie is tot stand gebracht door de Commissie Wetsvoorstellen, bestaande uit de NOB-leden Arco Bobeldijk (voorzitter), Matthijs Broekhuizen, Sebastiaan de Buck, Bart van der Burgt, Marcel Buur, Wiebe Dijkstra, Jeroen Elink Schuurman, Gerbrand Hidding, Martijn Jonkers, Ben Kiekebeld, Reinout Kok, Corina van Lindonk, Shanna van den Maagdenberg, Madeleine Merkx, Jan Nieuwenhuizen, Evert-Jan Spoelder, Jeroen van Strien, Max Velthoven, Edwin Visser, Luc van der Voort, Mirjam Wesselink, David van Wordragen, Susan Adriaans (secretaris wetgeving), Erika van Leeuwen (secretaris wetgeving) en Ruben van der Wilt (secretaris wetsuitvoering) en de NOB-leden Ricardo de Jong, Pjotr Anthoni, Dick Simonis, Robert van der Jagt en Charlotte Meijer.